farmaco-trainer.nl

Geneesmiddelenallergie oefenen

60 oefenvragen: 23 flashcards, 20 meerkeuzevragen en 17 open vragen — met uitleg en modelantwoorden.

Start gratis met oefenen →

Geneesmiddelen in deze groep

adrenalineclemastinedexamethasonsalbutamol

Voorbeeldvragen met antwoord

Meest voorkomende veroorzakers van anafylaxie?

β-lactam-antibiotica, NSAID's en spierverslappers (bij anesthesie).

Verschil tussen een anafylactische en een anafylactoïde reactie?

Anafylactisch: IgE-gemedieerd, vereist voorafgaande sensibilisatie. Anafylactoïd: geen specifieke antigeenherkenning (bv. directe mestcelactivatie door opiaten/NSAID's/NAC), kan al bij de eerste toediening optreden.

Eerste stap bij (verdenking op) anafylaxie?

Stoppen van het verdachte geneesmiddel, vervangen door een chemisch niet-verwant middel.

Medicatie bij ernstige anafylaxie (stap 2)?

Adrenaline 0,5 mg i.m., clemastine 2 mg i.v., dexamethason 8 mg i.v., en bij bronchospasme salbutamol vernevelen.

Wanneer volstaan alleen antihistaminica/corticosteroïden (geen adrenaline)?

Bij een milde reactie zonder circulatoire problemen of luchtwegproblemen.

Meest verantwoordelijke middelen voor trombocytopenie/hemolytische anemie?

Heparines en β-lactam-antibiotica.

Verschil tussen HIT type I en type II?

Type I: niet-immuungemedieerd, 1-4 dagen na start, milde trombocytendaling, heparine continueren. Type II: immuungemedieerd, 5-10 dagen na start, ernstiger trombocytopenie, hoog trombosetisico, heparine direct staken.

Meest voorkomende geneesmiddeleneruptie?

Maculopapuleuze eruptie (o.a. bij penicillinen, carbamazepine, allopurinol).

Leg uit waarom een anafylactoïde reactie al bij de eerste toediening van een geneesmiddel kan optreden, in tegenstelling tot een 'echte' anafylactische reactie.

Een anafylactische reactie is IgE-gemedieerd en vereist eerst sensibilisatie: bij eerste blootstelling worden IgE-antistoffen gevormd (manifest na 7-21 dagen), pas bij hernieuwde blootstelling volgt de snelle allergische reactie. Een anafylactoïde reactie ontstaat echter door directe, niet-immunologische activatie van mestcellen (bv. door opiaten of NAC) of door verschuiving van de arachidonzuurcascade richting leukotriënen (NSAID's/ASA via COX-1-remming) — processen die geen voorafgaande sensibilisatie vereisen en dus al bij de eerste toediening kunnen optreden.

Waarom is het klinisch belangrijk onderscheid te maken tussen HIT type I en II?

HIT type I is een onschuldig, niet-immuungemedieerd fenomeen met milde trombocytopenie zonder trombose- of bloedingsrisico — heparine kan gewoon gecontinueerd worden. HIT type II is immuungemedieerd (antistoffen tegen het heparine-PF4-complex), geeft een ernstigere trombocytopenie en een sterk verhoogd risico op (paradoxale) arteriële/veneuze trombose. Bij HIT type II moet heparine onmiddellijk gestaakt worden en overgeschakeld worden op een alternatief anticoagulans, om levensbedreigende trombotische complicaties te voorkomen.

Beschrijf de stapsgewijze eerste opvang van een patiënt met een ernstige anafylactische reactie (graad 3-4).

Stap 1: het verdachte geneesmiddel direct stoppen en zo nodig vervangen door een chemisch niet-verwant middel. Stap 2: adrenaline 0,5 mg i.m., clemastine 2 mg i.v. (antihistaminicum), dexamethason 8 mg i.v. (corticosteroïd), en bij bronchospasme salbutamol vernevelen. Stap 3: bij onvoldoende effect adrenaline herhalen en bij hypotensie een fluid challenge (500 ml NaCl 0,9% in 15 minuten). Stap 4: vervolgbehandeling op MC/IC, met bij gebruik van bètablokkade overweging van glucagon.

Leg het verschil uit tussen een anafylactische en een anafylactoïde reactie, met voorbeelden.

Een anafylactische reactie is immunologisch gemedieerd: na sensibilisatie ontstaan (meestal IgE-)antistoffen; bij een eerste blootstelling wordt de reactie pas na 7-21 dagen manifest, bij herhaalde blootstelling binnen minuten (type I) of na enkele dagen (type IV). Een anafylactoïde reactie geeft hetzelfde klinische beeld, maar zonder specifieke antigeenherkenning door het immuunsysteem: er is directe mestcelactivatie. Voorbeelden zijn opiaten en N-acetylcysteïne, die rechtstreeks histamine vrijmaken (bij NAC ook complementactivatie), en acetylsalicylzuur/NSAID's, die via COX-1-remming een overwicht aan leukotriënen geven. Anafylactoïde reacties zijn dosisafhankelijk en kunnen al bij de eerste toediening optreden.

Dit is een greep uit de vragen. In de oefenapp oefen je de volledige set als flashcards, meerkeuze, open vragen of in toetsmodus — gratis, met voortgang en dagelijkse streak.