Antidiabetica oefenen
67 oefenvragen: 25 flashcards, 23 meerkeuzevragen en 19 open vragen — met uitleg en modelantwoorden.
Start gratis met oefenen →Geneesmiddelen in deze groep
metforminetolbutamideglimepiridegliclazidedapagliflozineinsuline Regular/Actrapidinsuline aspartinsuline glargineglucagon
Voorbeeldvragen met antwoord
Werkingsmechanisme metformine?
Remt de hepatische glucoseproductie en verhoogt de perifere insulinegevoeligheid; stimuleert géén insulinesecretie (dus als monotherapie geen hypoglykemie).
Gevaarlijkste, zeldzame bijwerking van metformine?
Lactaatacidose, vooral bij accumulatie door nierinsufficiëntie.
Contra-indicatie metformine bij welke eGFR?
eGFR < 10 ml/min/1,73m²; voorzichtigheid al bij verminderde nierfunctie.
Wanneer moet metformine tijdelijk gestaakt worden?
Rond een onderzoek met jodiumhoudend contrastmiddel of een operatie onder algehele anesthesie — stop op de dag zelf, herstart pas 48 uur later.
Werkingsmechanisme sulfonylureumderivaten?
Stimuleren glucose-onafhankelijk de insulineafgifte uit de bètacellen.
Waarom is gliclazide het voorkeurs-SU-derivaat?
Kleinste kans op hypoglykemie; heeft inactieve metabolieten en kan daardoor ook bij nierfunctiestoornissen gecontinueerd worden (in tegenstelling tot glibenclamide).
Werkingsmechanisme SGLT2-remmers?
Blokkeren de natrium-glucose-cotransporter 2 in de nier, waardoor glucose met de urine wordt uitgescheiden.
Kenmerkende ernstige bijwerking van SGLT2-remmers?
Euglycemische diabetische ketoacidose (EDKA) — glucosewaarden lager dan gebruikelijk (< 14 mmol/l), waardoor de diagnose gemist kan worden.
Leg uit waarom metformine gecontra-indiceerd is bij ernstige nierinsufficiëntie, hartfalen en hypoxemie.
Metformine wordt volledig renaal geëlimineerd; bij verminderde nierfunctie stapelt het middel, wat het risico op lactaatacidose vergroot. Hartfalen en ernstige hypoxemie (bv. COPD, sepsis) verhogen dit risico verder doordat verminderde weefselperfusie/-oxygenatie leidt tot verhoogde anaerobe lactaatproductie — in combinatie met verminderde metforminesklaring kan dit tot een zeldzame maar fatale lactaatacidose leiden.
Vergelijk de farmacodynamiek van SU-derivaten en SGLT2-remmers en hun implicatie voor het hypoglykemierisico.
SU-derivaten stimuleren insulineafgifte onafhankelijk van de glucoseconcentratie, waardoor er ook bij normale of lage glucosewaarden insuline vrijkomt — het hypoglykemierisico is dus reëel, vooral bij onregelmatige voedselintake of nierfunctiestoornis. SGLT2-remmers werken glucoseafhankelijk: de renale glucose-excretie neemt af naarmate de bloedglucose daalt, waardoor het hypoglykemierisico als monotherapie laag is. SGLT2-remmers kennen wel het eigen risico van (euglycemische) ketoacidose.
Een DM2-patiënt met matige nierfunctie (eGFR 25) gebruikt metformine en glibenclamide. Wat pas je aan en waarom?
Metformine: bij eGFR < 30 is voorzichtigheid geboden en bij < 10 is het gecontra-indiceerd vanwege het lactaatacidoserisico door accumulatie — dosis verlagen of heroverwegen. Glibenclamide heeft actieve, renaal geklaarde metabolieten die bij nierfunctieverlies stapelen en het hypoglykemierisico sterk verhogen — dit middel wordt daarom afgeraden bij nierfunctiestoornis; overschakelen naar gliclazide (inactieve metabolieten) is een veiliger alternatief.
Vergelijk de pathofysiologie en behandelingsprincipes van diabetes mellitus type 1 en type 2.
Bij DM1 is er een absoluut insulinetekort door auto-immuun destructie van de β-cellen in de pancreas; deze patiënten hebben altijd insuline nodig. Bij DM2 bestaat er een relatief insulinetekort door toegenomen insulineresistentie in lever-, spier- en vetweefsel (geassocieerd met overgewicht) plus een zekere bètaceldisfunctie. DM2 wordt eerst niet-medicamenteus behandeld (niet roken, gezonde voeding, afvallen bij BMI >25, beweging); bij onvoldoende effect volgen orale middelen (start metformine) en zo nodig insuline.
Dit is een greep uit de vragen. In de oefenapp oefen je de volledige set als flashcards, meerkeuze, open vragen of in toetsmodus — gratis, met voortgang en dagelijkse streak.