farmaco-trainer.nl

Farmacokinetiek oefenen

68 oefenvragen: 26 flashcards, 23 meerkeuzevragen en 19 open vragen — met uitleg en modelantwoorden.

Start gratis met oefenen →

Voorbeeldvragen met antwoord

Definitie biologische beschikbaarheid (F)?

De fractie van de toegediende dosis die onveranderd de algemene circulatie bereikt (AUCoraal/AUCiv); bij intraveneuze toediening is F = 100%.

Wat veroorzaakt een lage F bij orale toediening?

First-pass metabolisme in de darm en/of de lever.

Wat bepaalt de grootte van een oplaaddosis?

Het verdelingsvolume (Vd).

Wanneer is het verdelingsvolume klein of groot?

Klein bij sterke eiwitbinding (blijft vooral in het plasma); groot bij sterk lipofiele stoffen (verdeelt zich over de weefsels).

Wat bepaalt de onderhoudsdosis in steady state?

Alleen de klaring (Cl).

Formule voor het verband tussen T1/2, Vd en klaring?

T1/2 = 0,7 × Vd / Cl.

Na hoeveel halfwaardetijden is steady state bereikt?

Circa 5 × T1/2 (ook: na staken is het middel dan grotendeels uit het lichaam verdwenen).

Belangrijkste CYP450-enzym voor geneesmiddelmetabolisme?

CYP3A4.

Leg het verschil uit tussen de rol van verdelingsvolume en klaring bij het bepalen van een doseerschema.

Het verdelingsvolume (Vd) bepaalt hoeveel geneesmiddel toegediend moet worden om direct een gewenste plasmaconcentratie te bereiken — dit is de basis voor de oplaaddosis, vooral relevant bij een lange halfwaardetijd waarbij je niet wilt wachten op steady state. De klaring (Cl) bepaalt hoeveel geneesmiddel per tijdseenheid nodig is om die concentratie te handhaven — dit bepaalt de onderhoudsdosis. Beide parameters samen bepalen de halfwaardetijd (T1/2 = 0,7 × Vd/Cl).

Een patiënt gebruikt al maanden fenytoïne en start nu claritromycine voor een longontsteking. Wat verwacht je farmacokinetisch en waarom?

Claritromycine is een CYP3A4-remmer met direct effect: de afbraak van door CYP3A4 gemetaboliseerde geneesmiddelen daalt, met hogere bloedspiegels als gevolg. In het algemeen geldt: bij het toevoegen van een enzymremmer aan een bestaand regime moet men bedacht zijn op toxiciteit door snel oplopende spiegels, met name bij middelen met een smalle therapeutische breedte. Nauwlettende monitoring op toxiciteitsverschijnselen is aangewezen.

Waarom moet bij het stoppen van een enzyminducerende comedicatie (bv. rifampicine) de dosering van het andere geneesmiddel opnieuw aangepast worden?

Zolang de inductor aanwezig is, wordt het gecombineerde geneesmiddel sneller afgebroken, waardoor vaak een hogere dosis nodig is voor hetzelfde effect. Bij het staken van de inductor verdwijnt dit versterkte metabolisme geleidelijk (over dagen tot weken), waardoor de eerder verhoogde dosis nu tot toxische spiegels kan leiden. De dosis moet dus weer verlaagd worden.

Leg het begrip biologische beschikbaarheid (F) uit en welke factoren deze bij orale toediening verlagen.

De biologische beschikbaarheid (F) is de fractie van de toegediende dosis die onveranderd de systemische circulatie bereikt en beschikbaar komt voor werking, uitgedrukt ten opzichte van intraveneuze toediening (AUCoraal/AUCiv). Bij i.v. is F = 1 (100%). Bij orale toediening kan F lager zijn door onvolledige absorptie in het maag-darmkanaal en door het first-pass effect: afbraak van de stof door enzymen in darmwand en lever vóórdat deze de circulatie bereikt. Het verlies is (1 − F) × 100%.

Dit is een greep uit de vragen. In de oefenapp oefen je de volledige set als flashcards, meerkeuze, open vragen of in toetsmodus — gratis, met voortgang en dagelijkse streak.